Stemmen van achter de schermen
Hoe MOJO De Kuip een poptempel maakte
Leon Ramakers over MOJO, Berry Visser en de concerten die De Kuip veranderden
Inleiding
Toen ik enige tijd geleden de website poptempeldekuip.nl maakte, had ik één doel: de geschiedenis van de concerten in De Kuip bewaren. Posters, foto’s, kaarten en krantenartikelen verzamelen, maar vooral ook de verhalen vastleggen van de mensen die er zelf bij waren. Want zij waren het die De Kuip tot veel meer maakten dan alleen een voetbalstadion.
Onlangs sprak ik uitgebreid met Berry Visser, die in 1968 MOJO Concerts oprichtte. Hij vertelde hoe een gedurfd idee uitgroeide tot het Holland Pop Festival van 1970 en hoe daarmee de basis werd gelegd voor de internationale concertwereld in Nederland. Toch bleef na dat gesprek één gedachte hangen. Het verhaal was nog niet af. Hoe groeide MOJO uit tot de organisatie die De Kuip op de internationale concertkaart zette? Dat antwoord kon eigenlijk maar één man geven: Leon Ramakers. Hij kwam later bij Berry terecht, aanvankelijk als hulpje, maar groeide uit tot mede-eigenaar en een van de bepalende krachten binnen de organisatie. Waar Berry de deuren opende, zorgde Leon ervoor dat ze open bleven.
Dit verhaal is geen biografie van Leon Ramakers en ook geen complete geschiedenis van MOJO. Het is het verhaal van hoe De Kuip uitgroeide tot een internationale poptempel. Een verhaal over mensen die kansen zagen waar anderen risico’s zagen, over concerten die grenzen verlegden en over een reputatie die uiteindelijk de grootste artiesten ter wereld naar Rotterdam bracht.
Inhoud:
1. Het vertrouwen van de wereldtop
2. Een student met een zwak voor live muziek
3. Het telefoontje dat alles veranderde
4. De beginjaren van MOJO
5. Weer op eigen benen
6. Het eerste grote stadionconcert
7. 23 juni 1978. Een natte primeur
8. De doorbraak
9. De Kuip groeit mee
10. Een veranderende concertwereld
11. Meer dan een stadion
12. De geschiedenis is nog niet af
Laten we teruggaan naar het begin.
Het vertrouwen van de wereldtop
Het is mei 1982, achter de tribunes van De Kuip is het een komen en gaan van vrachtwagens, technici en productiemedewerkers. Flightcases verdwijnen onder het podium, lichtmasten worden opgebouwd en overal klinkt het geluid van hamers, heftrucks en aggregaten. Op 2 juni start hier de Europese tournee van The Rolling Stones.
- Niet in Londen.
- Niet in Parijs.
- Niet in Berlijn.
Maar in Rotterdam. Omdat MOJO stap voor stap een naam had opgebouwd. Met concerten in Ahoy, het succesvolle optreden van Bob Dylan in De Kuip en een organisatie die verder ging dan veel (internationale) concurrenten, won het bedrijf het vertrouwen van artiesten en managers. Het zat hem niet alleen in de grote zaken, maar juist ook in de details: een warme ontvangst, goede catering en handdoeken die eerst werden gewassen voordat ze in de kleedkamer werden gelegd.
Voor de bijna 150.000 bezoekers die verdeeld over drie avonden een kaartje hebben weten te bemachtigen, is het simpelweg een uniek concert. De Rolling Stones in De Kuip. Groter wordt het bijna niet. Maar achter de schermen beseft iedereen dat dit méér is dan drie uitverkochte concerten.
Een Europese tournee begint maar één keer. Juist de eerste concerten zijn spannend. Werkt het podium zoals bedacht? Klopt de logistiek? Als er tijdens de openingsconcerten iets misgaat, reist dat probleem de rest van de tournee mee door Europa. Dat juist Rotterdam werd gekozen als startpunt, was daarom allesbehalve vanzelfsprekend. Het was een enorm compliment.
Toen ik Leon aan het einde van ons gesprek vroeg waar hij het meest trots op was, verwachtte ik dat hij een concert zou noemen. Maar Leon noemde geen enkel concert. Hij vertelde dat hij vooral trots is op het vertrouwen dat artiesten en hun management in MOJO hadden. Dat The Rolling Stones hun Europese tournee in Rotterdam begonnen en dat David Bowie vijf jaar later hetzelfde deed met zijn wereldtournee. “Daar sprak vertrouwen uit,” vertelde hij. Die opmerking bleef nog lang door mijn hoofd spoken. Want zo’n reputatie krijg je niet cadeau. Die bouw je op. Concert na concert. Jaar na jaar. De basis daarvoor werd al ruim tien jaar eerder gelegd. Niet in De Kuip, maar in de jaren waarin Berry Visser en later ook Leon Ramakers stap voor stap aan MOJO bouwden.
Om te begrijpen waarom de grootste artiesten ter wereld uiteindelijk voor De Kuip kozen, moeten we daarom eerst terug naar het einde van de jaren zestig.
Een student met een zwak voor live muziek
Als je Leon Ramakers eind jaren zestig had verteld dat hij ooit directeur van MOJO Concerts zou worden, had hij je waarschijnlijk hard uitgelachen. Zijn toekomst leek uitgestippeld: hij studeerde weg- en waterbouwkunde in Delft, met een carrière als ingenieur in het vooruitzicht. Maar er was één probleem: muziek.
Die liefde ontwikkelde zich al vroeg. Opgegroeid in een klein dorp ontdekte hij via de radio de wereld van de popmuziek. Hij luisterde naar de BBC Top 20 en verslond alles wat hij over popmuziek kon vinden. Tijdens zijn studie werd die passie steeds belangrijker. Binnen de studentenvereniging bleek hij vrijwel de enige met echte kennis van popmuziek. Hij zette een weekendcafé op, programmeerde artiesten en cabaretiers en deed zijn eerste ervaring op als organisator.
In die tijd kwam Leon twee keer bij Berry Visser op kantoor: vanwege The Hell Racers, die hij tijdens een vakantie in Zweden had leren kennen en in Nederland wilde promoten, en om een kaartje voor Led Zeppelin te kopen. Zo belandde hij op Berry’s zolderkamer in Delft, het kantoor van MOJO. Tijdens een van die bezoeken spraken ze uitgebreid over Berry’s plannen voor het Holland Pop Festival.
Berry had inmiddels Soft Machine, Byrds, Pink Floyd en Jefferson Airplane vastgelegd, maar de financiering was nog niet rond. Hij daagde Leon uit geld binnen te halen. Leon nam de uitdaging aan en wist via het ministerie van Cultuur 25.000 gulden subsidie te verkrijgen. Die impuls trok andere partijen over de streep. Zo besloot Coca-Cola eveneens -fors- bij te dragen.
Tijdens het festival was Leon vooral regelaar achter de schermen. Hij mobiliseerde vrijwilligers, hielp bij de ordedienst, haalde artiesten op en ondersteunde Berry waar nodig. Zelf zou hij zijn rol later bescheiden omschrijven als: ‘het hulpje van Berry’.
Het telefoontje dat alles veranderde
Het Holland Pop Festival van 1970 was voorbij. Het festival was een groot succes geworden en had Berry Visser en zijn MOJO Concerts definitief op de kaart gezet. Maar voor Leon Ramakers liep het verhaal anders af dan hij misschien had gehoopt.
Berry ging verder met MOJO. Georges Knap sloeg een andere weg in. Leon bleef achter. Hij had zich met hart en ziel voor het festival ingezet en had zich vooral na afloop een beetje in de steek gelaten gevoeld. Niet zozeer boos, maar vooral teleurgesteld. Hij begreep dat Berry verder moest. Het leven ging tenslotte door.
Totdat onverwacht de telefoon ging. Aan de andere kant van de lijn was Berry. Hij organiseerde opnieuw een concert en kwam handen tekort. Of Leon misschien kon helpen. Het was een klein moment, maar achteraf bezien een belangrijk keerpunt. Hij had kunnen zeggen dat hij geen tijd had. Of dat Berry maar iemand anders moest bellen. Maar zo zat hij niet in elkaar. Zijn teleurstelling was in één klap verdwenen. “Natuurlijk,” antwoordde hij. “Wat moet er gebeuren?” Daarmee begon een samenwerking die uiteindelijk ruim twintig jaar zou duren.
Leon stapte opnieuw de wereld van MOJO binnen. Eerst als iemand die bijsprong waar dat nodig was. Maar al snel bleek dat hij meer te bieden had dan alleen een paar extra handen. Hij bracht iets mee wat Berry goed kon gebruiken: structuur, overzicht en een scherp oog voor de praktische kant van het organiseren van concerten.
Berry was de man van de ideeën, de artiesten en de mogelijkheden. Leon zorgde ervoor dat die ideeën ook daadwerkelijk werden uitgevoerd. Afspraken moesten worden nagekomen, artiesten moesten worden ontvangen, vervoer moest worden geregeld en problemen moesten worden opgelost voordat ze groter werden. Langzaam groeide Leon uit van het hulpje van Berry tot diens vaste rechterhand. Ook kreeg hij een aandeel in MOJO: eerst 5 procent, vervolgens 10 procent en uiteindelijk 33⅓ procent.
De twee waren verschillend van karakter. Berry keek voortdurend vooruit, op zoek naar nieuwe artiesten en nieuwe mogelijkheden. Leon hield overzicht en zorgde ervoor dat de plannen van papier naar werkelijkheid gingen. Juist die combinatie bleek krachtig.
Achteraf is het verleidelijk om het Holland Pop Festival aan te wijzen als het moment waarop de samenwerking tussen het tweetal begon. Maar eigenlijk begon hun gezamenlijke geschiedenis pas echt toen die telefoon ging.
Het was een eenvoudig telefoontje. Berry had hulp nodig. Leon zei ja. En vanaf dat moment zou MOJO nooit meer hetzelfde zijn.
De beginjaren van MOJO
Toen Leon eenmaal weer aan boord was, volgden de concerten elkaar in hoog tempo op. Achteraf lijkt het alsof alles vanzelf ging, maar in werkelijkheid was iedere productie een nieuw avontuur.
Wie vandaag een groot concert bezoekt, staat er nauwelijks bij stil hoeveel mensen daar maandenlang aan hebben gewerkt. Er zijn draaiboeken, veiligheidsplannen, gespecialiseerde leveranciers en teams die precies weten wat er moet gebeuren. Begin jaren zeventig bestond dat allemaal nauwelijks.
MOJO was nog een klein bedrijf. Er was geen afdeling productie, geen marketingteam en geen logistieke organisatie zoals we die nu kennen. Zij deden alles samen en zelf. Van onderhandelen met buitenlandse agenten tot het controleren van kleedkamers, het regelen van hotels, het ontvangen van artiesten en het oplossen van problemen die zich op de dag van het concert aandienden. Iedere productie leverde nieuwe lessen op. Wat werkte wel? Wat werkte niet? Hoe ontvang je een wereldster? En hoe zorg je ervoor dat een buitenlandse tourmanager na afloop met een goed gevoel naar huis gaat?
Voor Leon waren dat misschien wel de belangrijkste jaren uit zijn carrière. Hij keek, luisterde en leerde. Niet omdat iemand hem dat vertelde. Hij begreep dat een geslaagd concert niet alleen op het podium wordt bepaald. Een geslaagd concert zit juist in de details. Een artiest die merkt dat de kleedkamer precies is zoals afgesproken. Een manager die ziet dat de planning klopt. Een chauffeur die op tijd klaarstaat. Een probleem dat al is opgelost voordat iemand het heeft opgemerkt. Soms waren het ogenschijnlijk onbelangrijke zaken. Leon vertelt bijvoorbeeld dat nieuwe handdoeken eerst werden gewassen voordat ze in de kleedkamer belandden. Niet omdat iemand dat had geëist, maar omdat nieuwe handdoeken vaak minder prettig aanvoelen en slechter drogen. Het lijkt een detail van niets, toch maakte juist dat soort aandacht verschil. Het zijn zaken waar het publiek niets van ziet, terwijl in de internationale concertwereld precies daarop reputaties worden gebouwd.
Toch ging het niet alleen maar goed. Concerten organiseren bleef een risicovak. Een slecht verkocht concert kon de winst van meerdere succesvolle avonden in één klap tenietdoen. Grote financiële reserves waren er niet. Geld dat vandaag werd verdiend, werd vaak direct geïnvesteerd in een volgende boeking. Regelmatig moest er zelfs worden geleend om nieuwe plannen mogelijk te maken. Het waren spannende jaren. Jaren waarin MOJO langzaam naam maakte en tegelijk financieel kwetsbaar bleef. In die periode verwierf Leon 33 1/3 procent van de aandelen in het bedrijf. Hij was allang niet meer alleen het hulpje van Berry, maar medeondernemer geworden, met alle verantwoordelijkheden die daarbij hoorden.
Tijdens ons gesprek vertelt Leon met zichtbaar plezier over die beginjaren. Er werd hard gewerkt, en veel gelachen. Tegelijkertijd hing boven vrijwel iedere nieuwe productie dezelfde gedachte: “Als dit concert lukt, komt het wel weer goed.” Die instelling bracht MOJO ver. Naarmate de ambities groeiden, werd echter duidelijk dat een sterkere financiële basis nodig was om verder te kunnen bouwen.
Samenwerking met Paul Acket
Juist op dat moment diende zich een onverwachte mogelijkheid aan. Mojo kwam bij VNU terecht toen de uitgeverij midden jaren ’70 haar muziekstrategie wilde uitbreiden: na de aankoop van Paul Acket’s Muziek Expres en Popfoto zocht VNU ook invloed in de live‑sector. Mojo, destijds het belangrijkste Nederlandse concertbureau, paste precies in dat plan. Daarom nam VNU het bedrijf eind 1974 over, met het idee dat tijdschriften en concertorganisatie elkaar zouden versterken.
Het zou het begin worden van een korte maar bepalende periode in de geschiedenis van het bedrijf.
Weer op eigen benen
Dat MOJO onderdeel werd van uitgeverij VNU was geen toevallige investering. VNU wilde in die jaren een breed muziekconcern opbouwen. Voor Berry en Leon leek het een logische stap. De samenwerking bood financiële zekerheid en toegang tot een grotere organisatie. Maar al snel bleek dat de wereld van een uitgeverij fundamenteel verschilde van die van een concertpromotor.
VNU was gewend aan begrotingen, planningen en voorspelbare inkomsten. MOJO opereerde in een wereld van voorschotten, risicovolle boekingen, onzekere kaartverkoop en snelle beslissingen. Wat voor Berry en Leon ondernemerschap was, voelde binnen een grote uitgeverij soms als onverantwoord risico. De samenwerking bracht rust, al ging dat niet zonder wrijving. Leon moet glimlachen als hij over één van die projecten begint.
Johnny Woodhouse, een populaire, productieve accordeonist die zowel op televisie, in films als op plaat actief was. Niet bepaald de naam die je verwacht in een verhaal over Bob Dylan, David Bowie of The Rolling Stones. In samenwerking met het tijdschrift Story werd een grote productie opgezet. Het moest een succes worden.
Dat werd het niet.
Het project liep uit op een teleurstelling en de financiële gevolgen waren aanzienlijk. Misschien nog vervelender was dat de schuld van het mislukken al snel bij hen terechtkwam. Terwijl zij het gevoel hadden dat zij vooral uitvoerders waren geweest van een plan waar veel meer partijen bij betrokken waren, werden zij aangesproken op het eindresultaat.
Als Leon er nu op terugkijkt, hoor je nog steeds dat het geen prettige periode was. Niet omdat hij verantwoordelijkheid uit de weg wilde gaan, maar omdat hij vond dat het verhaal veel genuanceerder lag dan destijds werd voorgesteld.
De samenwerking tussen MOJO en VNU bleek geen succes; de uitgeefstructuur botste met de dynamiek van de concertwereld, en incidenten zoals de mislukte samenwerking met John Woodhouse maakten duidelijk dat beide partijen anders dachten over muziekproductie. Na overleg werd besloten dat MOJO weer op eigen benen verder zou gaan. Paul Acket had na de verkoop van zijn uitgeefactiviteiten al zelfstandig de weg gekozen als jazz‑impressario en bouwde op dat moment aan het North Sea Jazz Festival. Zo ontstond een duidelijke scheiding: Acket domineerde de jazz, terwijl MOJO zich volledig kon richten op pop- en rockmuziek, een focus die zou uitgroeien tot een feitelijke monopolie-positie in Nederland.
En vanaf dat moment ging het hard. Heel hard. De concerten volgden zich in de tweede helft van de jaren 70 in hoog tempo op.
- The Eagles kwamen drie keer naar Nederland.
- Supertramp stond tweemaal op het programma.
- Bob Marley gaf twee memorabele concerten.
- Pink Floyd keerde terug.
En dat was slechts een kleine greep uit het groeiende aantal internationale artiesten dat zijn weg naar Nederland vond. Misschien nog belangrijker dan de namen was wat er achter de schermen gebeurde.
De moeilijke jaren hadden hen geleerd hoe kwetsbaar succes kon zijn. Ze namen nog steeds risico’s, al deden ze dat bewuster dan voorheen. Concert na concert groeide MOJO uit tot een organisatie waar artiesten, managers en agenten graag mee samenwerkten. Niet door grootse woorden, maar door consequent te leveren wat was afgesproken. Het succes kwam niet van de ene op de andere dag. Het was het resultaat van jaren hard werken, fouten maken, leren en opnieuw beginnen. Juist in deze periode werd het fundament gelegd onder alles wat nog zou volgen.
Ook buiten Nederland bleef dat niet onopgemerkt. Internationale agenten kwamen niet alleen voor een concert, maar steeds vaker ook om kennis te maken met de mensen achter MOJO. Berry en Leon hadden een reputatie opgebouwd die inmiddels de landsgrenzen overstak.
En dat zou al snel tot een telefoontje leiden dat alles zou veranderen.
Het verhaal achter MOJO
Hoe begon het allemaal? In een uitgebreid interview vertelt MOJO-oprichter Berry Visser over de beginjaren, de eerste grote concerten en de opkomst van het Nederlandse popconcert zoals we dat nu kennen.
Het is een persoonlijk verhaal van een pionier die, vaak met lef en improvisatie, de basis legde voor alles wat later in De Kuip mogelijk werd. Berry’s herinneringen vormen het fundament onder de geschiedenis die je hier verder leest.
Het eerste grote stadionconcert
Na de verzelfstandiging van MOJO ging het snel. Internationale artiesten vonden steeds vaker hun weg naar Nederland en ook buiten de landsgrenzen begon de naam MOJO rond te zingen. Tijdens ons gesprek komt Leon daarom al snel uit bij één naam: Harvey Goldsmith.
Een telefoontje uit Londen
Harvey Goldsmith gold in de jaren zeventig als dé man achter de grootste concertproducties van Europa. Wie een internationale superstertour wilde opzetten, kwam vroeg of laat bij hem terecht. Hij werkte met de grootste artiesten ter wereld en was betrokken bij producties die de internationale concertindustrie vormgaven.
Op een dag kwam het telefoontje waar MOJO jarenlang naartoe had gewerkt. Goldsmith wilde Bob Dylan naar Nederland halen en zocht daarvoor een Nederlandse partner. Voor MOJO was dat een enorme kans, en tegelijkertijd een sprong in het diepe. Een stadionconcert organiseren was van een totaal andere orde dan alles wat ze tot dan toe hadden gedaan. De productie was groter, de financiële belangen waren groter en ook de risico’s waren vele malen groter.Leon vertelt dat er dan ook niet alleen enthousiasme was. Natuurlijk wilden zij dit concert graag organiseren, ze beseften ook dat één verkeerde inschatting grote financiële gevolgen kon hebben. Goldsmith begreep dat als geen ander. Juist daarom was hij bereid een groot deel van het financiële risico voor zijn rekening te nemen. Dat gaf MOJO de ruimte om zich volledig te richten op de organisatie van het concert.
Het zegt veel over het vertrouwen dat Goldsmith in het duo had. Hij koos niet voor de grootste organisator, hij koos voor de mensen van wie hij wist dat ze hun afspraken nakwamen.
Met Bob Dylan aan boord leek een droom werkelijkheid te worden, al diende zich meteen een nieuwe uitdaging aan. Nederland had nog nooit een concert van deze omvang in een stadion georganiseerd. Waar moest dat plaatsvinden? Leon was daar heel stellig over.
“Eigenlijk was er maar één mogelijkheid,” vertelt hij. “Dat was De Kuip.” Op dat moment had nog geen enkele internationale artiest bewezen dat een Nederlands voetbalstadion als concertlocatie kon functioneren.
De Kuip zegt ja
Niet omdat er geen andere stadions waren; De Kuip had simpelweg alles wat nodig was. De uitstraling, de capaciteit én de internationale allure. Als Nederland wilde laten zien dat het klaar was voor een concert van dit formaat, dan moest dat volgens Berry en Leon in Stadion Feijenoord gebeuren.
Met dat plan stapten ze in de auto richting Rotterdam. Daar werden ze ontvangen door directeur De Kimpe. Voor hem was het minstens zo’n grote stap als voor MOJO. De twee tamelijk langharige en alternatief geklede jongemannen vroegen De Kimpe wat hij ervan zou vinden wanneer zijn stadion tot de laatste plaats gevuld zou zijn vanwege een optreden van een tot nader order geheim te houden superster uit de wereld van de popmuziek.
De Kimpe was niet direct enthousiast. Hij kende de verhalen over concerten waarbij complete zalen werden gesloopt en vroeg zich af wat een popconcert met zijn stadion zou doen. Berry en Leon namen die zorgen serieus. Ze verzekerden hem dat eventuele schade volledig zou worden vergoed. Bovendien hoorde De Kimpe uit verschillende hoeken dat de twee een uitstekende reputatie hadden opgebouwd. Dat gaf uiteindelijk de doorslag. Achteraf gezien nam De Kimpe misschien wel één van de belangrijkste beslissingen uit de geschiedenis van De Kuip.
Toch betekende die toestemming allerminst dat alle deuren nu openstonden. Ook Wim van Kalken, destijds de technisch directeur van Stadion Feyenoord, keek met gezonde argwaan naar de plannen. Dat was ook begrijpelijk. Voor hem stond de grasmat centraal en niemand wist wat een stadionconcert met het veld zou doen. Er waren geen draaiboeken. Geen eerdere ervaringen. Nederland moest alles zelf uitvinden.
De problemen beginnen pas
Alsof dat nog niet ingewikkeld genoeg was, diende zich kort voor het concert een nieuw probleem aan. Dit keer niet op het veld, maar op financieel gebied. De organisatie dreigde vlak voor het concert alsnog in de problemen te komen doordat de afschaffing van de vermakelijkheidsbelasting werd uitgesteld. Daardoor zou ineens 16,67% van de opbrengst verdwijnen. Voor een concert van deze omvang was dat een enorme tegenvaller. Berry en Leon trokken aan de bel bij de Rotterdamse wethouder van Cultuur, Jan Riezenkamp. Volgens Leon zorgde hij er in korte tijd voor dat er alsnog een oplossing kwam. Daarmee werd een financieel probleem afgewend dat het eerste stadionconcert van Nederland serieus had kunnen bedreigen.
Er kon weer vooruit worden gekeken. Tenminste, tot de dag dat de opbouw van het podium begon. Toen diende zich alweer een nieuw probleem aan. De eerste vorkheftruck met onderdelen voor het podium reed het stadionterrein op. Nog voordat de chauffeur goed en wel op zijn bestemming was aangekomen, zakte het zware voertuig dwars door de bestrating. Iedereen keek elkaar aan. Als dit de eerste minuut van de opbouw was, hoe moest de rest van de week dan verlopen?
De oplossing kwam uit onverwachte hoek. De stagemanager van Bob Dylan, die namens de tour aanwezig was, had dit probleem elders al eens meegemaakt. Zijn advies was even eenvoudig als doeltreffend: leg stalen rijplaten neer, zodat het gewicht van de voertuigen beter werd verdeeld.
Het werkte. De opbouw kon doorgaan!
Achteraf lijken het misschien kleine voorvallen, maar ze laten zien hoe pionierend die eerste editie was. Er bestonden geen handboeken voor stadionconcerten. Vrijwel iedere uitdaging diende zich voor het eerst aan en moest ter plekke worden opgelost.
Zij organiseerden niet alleen een concert. Samen met De Kuip zetten zij een stap in onbekend terrein. Niemand wist precies wat er zou gebeuren. Niet hoeveel mensen zouden komen. Niet hoe het stadion zou functioneren als concertlocatie. En al helemaal niet of Nederland klaar was voor een evenement van deze omvang.
Na maanden van voorbereiden, improviseren en problemen oplossen, was het moment eindelijk daar.
Bob Dylan was onderweg naar Rotterdam.
23 juni 1978. Een natte primeur
Dat deze vrijdag de geschiedenis zou ingaan, stond vast. Hoe het zou uitpakken, wist niemand. Alles wat Berry, Leon, Harvey Goldsmith en de mensen van De Kuip in de maanden daarvoor hadden voorbereid, moest zich nu bewijzen.
Alsof de spanning nog niet groot genoeg was, werkte ook het weer niet mee. Het regende. En niet een klein buitje. Het regende de hele dag.
Voor de ca. 52.000 bezoekers maakte dat uiteindelijk weinig uit. Ze waren gekomen voor Bob Dylan en lieten zich niet tegenhouden door een paar uur regen. Achter de schermen betekende het opnieuw improviseren. Materialen moesten worden afgedekt, de ondergrond werd steeds zwaarder en iedereen hield de weersverwachtingen nauwlettend in de gaten.
Toen Bob Dylan uiteindelijk het podium betrad, bleek dat alle voorbereidingen niet voor niets waren geweest. Meer dan vijftigduizend bezoekers hadden de regen getrotseerd om erbij te zijn. Bovendien kregen zij niet alleen Bob Dylan te zien. Ook Eric Clapton maakte deel uit van het programma, waardoor het publiek die avond niet alleen Bob Dylan, maar ook Eric Clapton op het podium zag.
Over de setlist, de ontvangst van Dylan en de reacties van bezoekers valt nog veel meer te vertellen. Voor dit verhaal is vooral van belang dat het experiment slaagde. Het eerste stadionconcert van Nederland was een feit.
De geschiedenis van De Kuip wordt niet alleen verteld door artiesten en organisatoren, maar vooral door de mensen die erbij waren.
Lees bijvoorbeeld de verhalen achter Bob Dylan (1978), The Rolling Stones (1982), Bob Dylan (1978) en Simon & Garfunkel (1982) en ontdek wat er zich voor, tijdens en achter de schermen van deze concerten afspeelde.
Maar misschien heb jij zelf nog een verhaal dat in dit archief thuishoort. Een bijzondere herinnering, een foto die jarenlang bewaard is gebleven, een programmaboek, ticket, T-shirt of ander stukje concertgeschiedenis? Deel het met ons en help mee om het verhaal van De Kuip compleet te maken.
Ook jouw herinnering kan onderdeel worden van het archief.
Bekijk daarnaast het complete concertoverzicht en ontdek hoeveel bijzondere concerten er door de jaren heen in De Kuip hebben plaatsgevonden.
Geen draaiboek, wel jenever
Terwijl Leon hierover vertelt, valt me op dat hij zich niet alleen de grote lijnen herinnert. Juist de kleine verhalen zijn hem altijd bijgebleven.
Zo stond de beveiliging in Nederland nog in de kinderschoenen. Grote stadionconcerten bestonden eenvoudigweg niet, dus ervaring was er nauwelijks. Zo was de communicatie nog uiterst primitief. De mensen aan de zuidzijde van De Kuip hadden soms geen idee wat er aan de noordzijde gebeurde en andersom. Mobiele telefoons waren er uiteraard nog niet, portofoons waren beperkt beschikbaar en veel beslissingen werden simpelweg ter plekke genomen.
Ook over de horeca was nauwelijks nagedacht. Vandaag de dag is het bijna ondenkbaar, maar tijdens dat eerste stadionconcert werd gewoon sterke drank geschonken. Bezoekers die op de tweede ring zaten, moesten daarvoor helemaal naar beneden lopen. Dat leverde volgens Leon een prachtig tafereel op.
Een suppoost, die blijkbaar wel van een borrel hield, ontdekte al snel een slimme manier om de dag aangenamer te maken. Iedere bezoeker die naar beneden liep om iets te drinken te halen, kreeg dezelfde vraag mee: “Neem voor mij ook een jenevertje mee?” En dat gebeurde. Na verloop van tijd stonden er volgens Leon een indrukwekkende rij glaasjes jenever op de reling naast de suppoost. Naar verluidt waren het er een stuk of zeventien.
Wat er daarna met die verzameling en de suppoost is gebeurd? Leon moet lachen. Dat weet niemand meer.
De toekomst van De Kuip
Juist dat soort anekdotes maken duidelijk hoe pionierend die eerste editie was. Er waren nog geen draaiboeken en uitgebreide veiligheidsplannen. Iedereen was bezig iets te organiseren wat in Nederland nog nooit eerder was gedaan.
En misschien was dat juist wel de charme van die eerste keer. Niet alles verliep volgens plan. Maar aan het einde van de dag was één ding overduidelijk. Nederland had bewezen dat een groot stadionconcert mogelijk was. Na afloop van het concert gaf Patrick Stansfield, de production manager van de Dylan-tour, Leon nog een advies mee dat hem altijd is bijgebleven:
“Let op, dit soort concerten wordt je toekomst.”
Op dat moment kon niemand vermoeden hoe profetisch die woorden zouden blijken. Vier jaar later stonden The Rolling Stones in De Kuip.
De doorbraak
De Stones maken het groot
Als Bob Dylan het bewijs was dat stadionconcerten mogelijk waren, dan waren The Rolling Stones het bewijs dat ze ook groots konden zijn. De Europese tournee van 1982 begon in Rotterdam en alleen al de omvang van de productie was ongekend. Onder de codenaam Operation Hannibal arriveerde een karavaan van 32 vrachtwagens in De Kuip. Het gigantische podium van achttien meter hoog en zeventig meter breed, was destijds een technisch hoogstandje. Op 2 juni 1982 begon in Rotterdam de Europese tournee van The Rolling Stones. Voor de opening van de show werden duizenden ballonnen opgelaten en het vuurwerk was zo indrukwekkend dat sommige bewoners van Rotterdam-Zuid de politie belden omdat zij dachten dat er explosies plaatsvonden.
De Stones maakten daarmee niet alleen indruk op het publiek. Ook de internationale concertwereld zag wat er in Rotterdam mogelijk was. De Kuip had zich bewezen als concertlocatie en MOJO had laten zien dat het producties van internationale allure kon organiseren.
Een podium dat bewoog
Dat succes bleef niet onopgemerkt. Steeds meer bedrijven zagen kansen in de snel groeiende concertwereld. Ook steeds meer toeleveranciers meldden zich op de nieuwe markt. Groter betekende echter niet automatisch beter. Dat zou MOJO tijdens de voorbereidingen van het concert van Simon & Garfunkel zelf ervaren.
Een Rotterdams bedrijf bood aan om het podium te bouwen. Op papier leek daar niets mis mee. Het podium stond uiteindelijk ook. Stabiel was het alleen niet. Leon vertelt dat hij zich er destijds niet prettig bij voelde. De constructie bewoog meer dan hem lief was. “Bij windkracht vier of meer was ik er niet gerust op geweest,” vertelt hij.
Het concert liep uiteindelijk goed af, al leverde het MOJO een belangrijke les op. Grotere concerten vroegen niet alleen om grotere artiesten, meer publiek en grotere producties. Ze vroegen ook om gespecialiseerde leveranciers die wisten wat er nodig was om zo’n productie veilig en professioneel uit te voeren.
Professionaliteit werd geen luxe meer; het werd een noodzaak.
Vanaf dat moment werd gekozen voor Stageco uit België, een bedrijf dat zich had gespecialiseerd in podiumconstructies voor grote internationale tournees. De producties werden professioneler, de risico’s beter beheersbaar en de reputatie in de internationale muziekwereld groeide.
Een Saab met de naam Rod
In aanloop naar 1983 diende zich een opmerkelijke situatie aan. MOJO kreeg de vraag of het een concert van Rod Stewart wilde organiseren. Berry en Leon bekeken de mogelijkheden, maar besloten uiteindelijk af te zien van het aanbod. Ze twijfelden of er in Nederland wel voldoende publiek voor Rod Stewart zou zijn en vonden het financiële risico eenvoudigweg te groot.
Achteraf bezien misschien een verrassende beslissing. Juist die voorzichtigheid had MOJO gebracht waar het inmiddels stond: MOJO was bereid grote kansen te pakken en wist inmiddels ook dat niet ieder risico verstandig was. Het verhaal kreeg echter een onverwachte wending.
De eigenaar van café Het Stipje in Noordwijk had tijdens een bezoek aan Amerika contact gelegd met het management van Rod Stewart. Hij had zelfs al een aanbetaling van 40.000 gulden gedaan om het concert zelf te organiseren.
Al snel bleek dat de kaartverkoop moeizaam verliep. Zo moeizaam zelfs, dat het management alsnog contact opnam met MOJO. Of Berry en Leon misschien wilden helpen. Leon moet lachen als hij dat verhaal vertelt.
Aan de andere kant van de lijn kwam de vraag wat MOJO daarvoor wilde hebben. Zij hoefden daar niet lang over na te denken. Ze reden op dat moment overal naartoe in een Opel Kadett. Een betrouwbare auto, maar bepaald geen luxe. Ze zagen hun kans schoon. Hun antwoord was eenvoudig: voor 50.000 gulden wilden ze de organisatie overnemen. Dat bedrag werd geaccepteerd.
Van het geld werd een Saab gekocht, die binnen MOJO al snel een bijnaam kreeg: ‘Rod’.
Dankzij de ervaring en het netwerk van MOJO kwam de kaartverkoop uiteindelijk alsnog op gang. Zo’n 30.000 bezoekers vonden hun weg naar De Kuip. Geen uitverkocht stadion, maar wel een concert dat alsnog werd gered.
Leon vertelt het verhaal met een brede glimlach. Niet vanwege het geld of de nieuwe auto, maar omdat het zo typerend was voor die tijd. MOJO zag mogelijkheden waar anderen vooral risico’s zagen.
De Saab is allang verdwenen. Het verhaal niet.
De Kuip groeit mee
Na de concerten van The Rolling Stones in 1982 had De Kuip definitief zijn plaats veroverd in het internationale concertcircuit. In de jaren die volgden deden steeds meer wereldartiesten Rotterdam aan. David Bowie, Prince, Madonna, Michael Jackson, U2, Pink Floyd en vele anderen maakten van Stadion Feijenoord een vaste halte op hun Europese tournees.
Voor het publiek leken die concerten soms vanzelfsprekend. Achter de schermen veranderde de concertwereld echter razendsnel. De podia werden groter. De lichtshows complexer. De geluidsinstallaties zwaarder. Wat begin jaren tachtig nog als een indrukwekkende productie werd gezien, was tien jaar later vaak al achterhaald.
Achter die groeiende complexiteit zat niet alleen techniek en logistiek, maar ook het menselijke element. Leon lette op alles wat een artiest nodig had om zich thuis te voelen in De Kuip, soms zelfs op details die niets met het podium te maken hadden. Zo liep hij ooit met Jim Kerr (Simple Minds) over het veld. Het gesprek ging al snel over voetbal. Kerr vertelde dat zijn vader een fanatieke Celtic‑supporter was. Feyenoord won in 1970 de Europa Cup I ten koste van Celtic, en terwijl Kerr om zich heen keek, zei hij grijnzend: “Mijn vader zou zich omdraaien in zijn graf als hij wist dat ik hier over het veld van Feyenoord loop.” Voor Leon waren dit soort momenten net zo belangrijk als de techniek: begrijpen wie een artiest is, waar hij vandaan komt, en wat hem raakt.
Wim van Kalken
Achter de schermen was er nog iemand die een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van De Kuip als concertstadion: Wim van Kalken. Wim was destijds technisch directeur van Stadion Feijenoord. Toen Berry en Leon eind jaren zeventig voor het eerst met hun plannen voor stadionconcerten kwamen, behoorde hij bepaald niet tot de grootste voorstanders. Dat was begrijpelijk. Voor Wim stond het voetbal voorop en de grasmat was heilig. Niemand wist welke gevolgen concerten voor het stadion zouden hebben.
Maar naarmate de jaren verstreken, zag hij hoe zorgvuldig Berry en Leon met De Kuip omgingen. Concert na concert groeide het wederzijdse respect. Waar Wim aanvankelijk vooral risico’s zag, zag hij later steeds meer mogelijkheden. Uiteindelijk kregen zij binnen De Kuip een uitzonderlijke positie. Ze kenden het stadion door en door, werden betrokken bij praktische vraagstukken en konden rekenen op mensen als Wim van Kalken. Leon vertelde dat er op een gegeven moment nauwelijks nog discussie was. Als ze met een nieuw plan kwamen, was de reactie vaak simpel:
“Als zij denken dat het kan, dan zal het wel goed zitten.”
Dat vertrouwen werkte bovendien twee kanten op. Wim dacht zelf actief mee over manieren om De Kuip beter geschikt te maken voor concerten. Een van zijn ideeën is vandaag de dag nog altijd zichtbaar. Om grotere vorkheftrucks en zwaar materieel toegang tot het stadion te geven, werd een deel van de tribune bij vak G losgemaakt van de rest van de constructie. Het tribunesegment kon als een soort scharnier omhoog worden gebracht, waardoor de opbouw van steeds grotere producties aanzienlijk eenvoudiger werd. Het lijkt een technisch detail, maar juist zulke aanpassingen maakten het mogelijk dat De Kuip kon meegroeien met de internationale concertwereld. Het scharnier is vandaag de dag nog altijd zichtbaar voor wie weet waar hij moet kijken.
Begin jaren negentig stond De Kuip opnieuw voor een belangrijke uitdaging
In Amsterdam werd gebouwd aan de ArenA, een stadion dat nadrukkelijk werd ontworpen voor grote evenementen. Tegelijkertijd onderging ook De Kuip een ingrijpende verbouwing.
Wat weinig mensen weten, is dat MOJO daarbij actief werd betrokken. Inmiddels maakte ook John Mulder deel uit van MOJO. Hij was in 1986 bij het concertbureau gekomen en groeide uit tot een van de drijvende krachten achter de verdere professionalisering van de concertorganisatie. Waar Berry en Leon de basis hadden gelegd, behoorde John tot de generatie die stadionconcerten naar een nieuw niveau bracht. Hij dacht voortdurend na over praktische oplossingen voor problemen die zich tijdens grote concerten voordeden. Binnen De Kuip dacht hij actief mee over manieren om het stadion geschikt te houden voor de steeds grotere internationale producties.
Zo had een van de belangrijkste adviezen betrekking op de overkapping aan de zijde waar tijdens concerten het podium werd gebouwd. Door die enkele meters verder naar achteren te plaatsen, ontstond extra ruimte voor de steeds hogere podia die internationale tournees met zich meebrachten. Het lijkt een klein detail. Maar nog altijd is het zichtbaar. Tot op de dag van vandaag zitten supporters op die tribune tijdens een regenachtige wedstrijd nét iets minder droog dan elders in het stadion. Een klein gevolg van een beslissing die werd genomen om De Kuip klaar te maken voor de toekomst.
De eerste grote test volgde al snel
Pink Floyd. In 1994 streek de Division Bell Tour neer in Rotterdam. Voor De Kuip was dat veel meer dan een concert. Het was een examen. De productie behoorde tot de grootste ter wereld. Het podium was enorm, de technische eisen waren ongekend en het beroemde quadrafonische geluid stelde hoge eisen aan iedere locatie. Als het vernieuwde stadion dit aankon, kon het alles aan. Het antwoord kwam op de avond zelf. Met een indrukwekkend decor, baanbrekende lichteffecten en een geluidservaring die zijn tijd ver vooruit was, zette Pink Floyd een voorstelling neer die nog altijd tot de meest legendarische concerten uit de geschiedenis van De Kuip behoort.
Voor mij persoonlijk is de keuze eenvoudig wanneer mensen vragen welk concert ik het meest indrukwekkend vond. Pink Floyd in 1994. Dat ik daarin niet alleen sta, bleek onlangs uit een publieksverkiezing van Poptempel De Kuip. Van alle concerten die ooit in het stadion werden georganiseerd eindigde Pink Floyd in 1994 op de tweede plaats. Alleen Bruce Springsteen wist uiteindelijk met zijn Born in the U.S.A. tour meer stemmen te verzamelen.
Dankzij mijn gesprekken met Berry en Leon kijk ik inmiddels anders naar die avond. Niet alleen naar wat er op het podium gebeurde, maar juist naar alles wat eraan voorafging. Wat ik als bezoeker zag, was een spectaculair concert. Wat de mensen achter de schermen zagen, was het resultaat van bijna twintig jaar pionieren.
Toch betekende al die ervaring niet dat er geen problemen meer ontstonden. Integendeel. Een van de meest hardnekkige uitdagingen bleef de grasmat. Voor Feyenoord was het veld heilig. Om schade tijdens concerten te beperken, werd op een gegeven moment besloten beschermingsmatten over het gras te leggen. Een logisch idee. Alleen bleek achteraf dat het gras daardoor onvoldoende licht en lucht kreeg. Toen de matten werden verwijderd, was van het groene veld weinig meer over. De grasmat was veranderd in een grote bruine vlakte.
Kort daarna stond de competitieopening Feyenoord-PSV op het programma. De kritiek liet niet lang op zich wachten. Maar Wim van Kalken reageerde zoals alleen Wim van Kalken dat kon.
“Waar staat eigenlijk in de reglementen dat er op een groene grasmat gevoetbald moet worden?”
Het typeert de pioniersjaren van De Kuip. Veel oplossingen werden onderweg bedacht. Niet alles werkte meteen en iedere fout leverde nieuwe kennis op. En juist daardoor groeide De Kuip uit tot een stadion waar twee werelden samenkwamen.
De wereld van het voetbal. En de wereld van de live muziek.
Vier dagen tussen Prince en PSV
Op 17 augustus 1988 stond Prince nog met zijn Lovesexy Tour in De Kuip. Vier dagen later speelde Feyenoord de competitieopening tegen PSV. De beelden van die wedstrijd maken in één oogopslag duidelijk voor welke uitdagingen Wim van Kalken stond: een stadion dat voortdurend moest schakelen tussen de wereld van grote concerten en die van het topvoetbal.
Een veranderende concertwereld
De internationale concertwereld veranderde in de jaren negentig ingrijpend. En die veranderingen hadden onvermijdelijk gevolgen voor De Kuip. De opening van de Amsterdam ArenA in 1996 markeerde het begin van een nieuw tijdperk. Volgens Leon was al snel duidelijk wat dat zou betekenen. Die zorgen deelde hij destijds ook met de directie van De Kuip, onder leiding van Jos van der Vegt.
De reden was eigenlijk eenvoudig.
“Vraag iemand in Amerika naar Amsterdam en vrijwel iedereen heeft daar een beeld bij,” vertelt Leon. “Vraag naar Rotterdam en veel minder mensen weten waar die stad ligt.” Voor internationale artiesten, managers en promotors speelde die herkenbaarheid een belangrijke rol. Als er gekozen kon worden tussen Amsterdam en Rotterdam, had Amsterdam alleen al door zijn internationale naamsbekendheid een streepje voor.
Daarnaast bood de ArenA ook praktische voordelen. Het stadion beschikte over een uitschuifbaar dak, waardoor concerten veel minder afhankelijk waren van het weer. Ook was de capaciteit groter: de ArenA kon ruim 55.000 bezoekers ontvangen, terwijl De Kuip met 51.000 plaatsen bijna vijfduizend mensen minder kwijt kon. Voor internationale producties maakte dat verschil soms letterlijk uit of een show financieel haalbaar was.
Bij een gemiddelde ticketprijs van honderd euro betekent dat een extra opbrengst van een half miljoen euro per concert. Voor internationale tournees, waar iedere beslissing zorgvuldig wordt doorgerekend, kan zo’n verschil doorslaggevend zijn.
Tegelijkertijd veranderde ook de concertbranche zelf.
Aan het einde van de jaren negentig kwam MOJO in het bezit van Live Nation. Daarmee veranderde de manier waarop tournees werden gepland. Waar vroeger persoonlijke relaties vaak een grote rol speelden, werden keuzes steeds vaker gemaakt op basis van logistiek, capaciteit, opbrengsten en beschikbaarheid.
Voor De Kuip betekende dat een nieuwe werkelijkheid. Dat wil niet zeggen dat er geen grote concerten meer plaatsvonden. Integendeel. Artiesten als Bruce Springsteen, The Rolling Stones, Marco Borsato, Doe Maar, Kane en recent nog DI-RECT bewezen dat de magie van het stadion nog altijd springlevend was. En soms werkte juist een ogenschijnlijk nadeel in het voordeel van De Kuip. Rammstein bijvoorbeeld gaf de voorkeur aan een open stadion, waar hun spectaculaire vuur- en pyrotechniek volledig tot hun recht kwam.
Terugkijkend ziet Leon het zonder wrok. De concertwereld veranderde. Stadions veranderden. Organisaties veranderden.
Maar de geschiedenis veranderde niet. Die was allang geschreven.
Meer dan een stadion
Toen ik Leon aan het einde van ons gesprek vroeg waar hij het meest trots op was, verwachtte ik dat hij een concert zou noemen. Bob Dylan, The Rolling Stones, David Bowie, Pink Floyd, er waren genoeg mogelijkheden. Maar geen van die namen kwam uit zijn mond. Hij sprak over het vertrouwen dat artiesten, managers en internationale promotoren in MOJO hadden. Dat antwoord verraste mij op dat moment. Nu begrijp ik het beter. Want dat The Rolling Stones hun Europese tournee in Rotterdam begonnen en dat David Bowie vijf jaar later hetzelfde deed met zijn wereldtournee was geen toeval. Het was het resultaat van een reputatie die ze hadden opgebouwd, concert na concert, jaar na jaar.
Het was mij duidelijk geworden dat de geschiedenis van De Kuip nooit alleen over concerten ging. Het ging over mensen die iets deden waarvan niemand wist of het mogelijk was. Het ging over een affiche van Led Zeppelin dat een jonge student naar een zolderkamer in Delft bracht, over het festival in Kralingen dat de wereld liet zien dat Nederland klaar was voor grote internationale artiesten, over een concertorganisator die bleef geloven in zijn plannen wanneer anderen dat niet deden, en over een voetbalstadion dat weliswaar voor voetbal was gebouwd maar uiteindelijk uitgroeide tot een van de meest iconische concertlocaties van Europa.
En bovenal ging het over pionieren: problemen oplossen waarvoor nog geen oplossingen bestonden, risico’s nemen, improviseren en opnieuw beginnen wanneer het tegenzat.
Wat begon met Bob Dylan in 1978 groeide uit tot een indrukwekkende reeks concerten die een vaste plek kregen in het collectieve geheugen van muziekliefhebbers. Voor sommigen is dat Bruce Springsteen. Voor anderen U2, Madonna, The Rolling Stones, Michael Jackson, of Pink Floyd.
Iedere bezoeker heeft zijn eigen herinnering. Zijn eigen verhaal. Maar al die verhalen hebben één ding gemeen. Ze speelden zich af in De Kuip.
Wanneer ik tegenwoordig door het stadion loop, kijk ik anders naar die plek dan vroeger. Ik zie niet alleen de tribunes, het veld of de beroemde lichtmasten. Ik zie ook de mensen die achter de schermen hebben meegebouwd aan die geschiedenis.
Mensen als Berry Visser. Leon Ramakers. John Mulder en Wim van Kalken. En alle anderen die ervoor zorgden dat artiesten, bezoekers en organisatoren keer op keer het gevoel kregen dat alles mogelijk was.
Wat mij tijdens het schrijven van dit verhaal misschien nog wel het meest opviel, is hoe verschillend mensen dezelfde geschiedenis beleven.
- Voor Berry en Leon draait die geschiedenis om pionieren, organiseren en problemen oplossen.
- Voor bezoekers draait het om herinneringen.
Om dat beter te begrijpen organiseerde ik een verkiezing onder liefhebbers van De Kuip. De vraag was simpel: wat was jouw persoonlijke top-3 van alle legendarische concerten die in de Kuip hebben plaatsgevonden.
De reacties waren overweldigend. Honderden liefhebbers brachten hun stem uit en kozen hun favoriete concert uit de rijke geschiedenis van De Kuip. Van de grote internationale stadionacts uit de jaren zeventig en tachtig tot de Nederlandse artiesten van nu.
Maar welke concerten zijn volgens de liefhebbers het meest legendarisch?
Die uitslag wordt binnenkort bekendgemaakt. Eén ding staat nu al vast: de uitkomst laat zien dat de geschiedenis van De Kuip niet bij één generatie of één muziekstijl hoort. De herinneringen aan legendarische avonden blijven zich opstapelen, generatie na generatie.
En misschien is dat wel het mooiste bewijs dat De Kuip als poptempel nog altijd leeft.
De Kuip is veel meer dan beton, staal en gras. Het is een plek waar herinneringen zijn gemaakt. Waar generaties muziekliefhebbers samenkwamen. Waar geschiedenis werd geschreven. En waar Nederland ontdekte dat een voetbalstadion ook een poptempel kon zijn. Misschien is dat uiteindelijk wel de grootste erfenis van De Kuip.
- Niet de aantallen bezoekers.
- Niet de omzet.
- Niet eens de indrukwekkende lijst artiesten.
Maar de herinneringen die zijn gebleven. Want concerten duren maar een paar uur. De verhalen blijven.
De geschiedenis is nog niet af
Toch kan ik dit verhaal niet afsluiten zonder nog één persoonlijke gedachte.
Terwijl ik dit schrijf, voelt het alsof het hoofdstuk over concerten in De Kuip voorgoed is afgesloten. Nieuwe woningbouw rondom het stadion en de geluidsnormen die daarbij horen maken het op dit moment vrijwel onmogelijk om nog grote concerten in De Kuip te organiseren.
Dat doet pijn. Niet alleen bij mij, maar bij duizenden anderen. Ruim 9.500 mensen hebben de petitie ondertekend, en vele tienduizenden dragen herinneringen met zich mee aan avonden die hun leven hebben geraakt. Ik heb daar zelf onvergetelijke momenten beleefd, avonden die je nooit meer kwijtraakt. Ik ben vooral door mijn gesprekken met Berry Visser en Leon Ramakers gaan begrijpen wat hier werkelijk is opgebouwd. De Kuip is nooit alleen een stadion geweest. Het is een plek waar dromen groter mochten zijn dan de regels, waar lef belangrijker was dan zekerheid, waar mensen durfden te denken tegen de stroom in.
De geschiedenis van De Kuip bestaat niet alleen uit beton, staal en gras. Ze bestaat uit dromen, lef, ondernemerschap en mensen die tegen de stroom in durfden te denken. Mensen die niet keken naar wat onmogelijk was, maar naar wat mogelijk kon worden.
Daarom hoop ik dat bestuurders, investeerders, stadiondirecties, politici, ondernemers en iedereen die De Kuip een warm hart toedraagt zich niet neerlegt bij het idee dat dit het einde is.
De mensen achter de Poptempel
Als er één ding is dat mij na alle gesprekken, verhalen en herinneringen duidelijk is geworden, dan is het dat de geschiedenis van Poptempel De Kuip nooit door één persoon is geschreven.
- Berry Visser was de visionair. Hij zag mogelijkheden waar anderen vooral risico’s zagen. Hij durfde te dromen van stadionconcerten op een moment dat niemand wist of zoiets in Nederland überhaupt mogelijk was.
- Leon Ramakers was de bouwer. Hij gaf structuur aan die dromen, smeedde relaties, loste problemen op en hielp MOJO uitgroeien tot een organisatie waarop artiesten en managers wereldwijd konden vertrouwen.
- Frits de Kimpe zette in 1978 misschien wel de belangrijkste deur van allemaal open. Als directeur van De Kuip gaf hij toestemming voor het eerste stadionconcert van Nederland en maakte hij daarmee geschiedenis.
- Wim van Kalken begon als scepticus, maar groeide uit tot een van de grootste bondgenoten van de concerten in De Kuip. Hij beschermde het stadion waar nodig, dacht mee waar het kon en hielp De Kuip stap voor stap geschikt te maken voor steeds grotere producties.
- John Mulder vertegenwoordigde vervolgens de volgende generatie. Hij hielp MOJO professionaliseren in een periode waarin concerten steeds groter, technischer en internationaler werden en droeg eraan bij dat De Kuip kon meegroeien met de wereldtop.
Samen schreven zij een hoofdstuk in de Nederlandse muziekgeschiedenis dat veel groter werd dan zij zelf ooit hadden kunnen vermoeden.
De geschiedenis van Poptempel De Kuip is nog niet af. De volgende bladzijden moeten alleen nog worden geschreven.